Jantje

Auteur: Willie Lek

Vandaag collecteren de welpen. De welpen van de Scoutinggroep Jan van Hoof in mijn stad. Vier jongens in herkenbare kledij staan in de drukke winkelstaat. Zij dragen een groen overhemdje en een oranje-zwart gekleurde shawl, die onder hun kin bijeengehouden wordt door een leren bandje. Andere zaterdagen spelen zij het verhaal van Jungleboek. In een oud schoolgebouw hebben zij hun nest, samen met Baloe en Bagheera. Maar vandaag gaan ze naar buiten, geld verzamelen om speelplekken te realiseren in de betonnen steden voor alle Jantjes. Als Jantje staat voor alle kleine jongens en meiden: voor de Ali’s, de Windes, de Sterres, de Fatima’s, de Tijmens en de Abdullahs, dan kan ik er mee uit de voeten. Dan wil ik wel wat offeren.

Een van de jonge welpen draagt een gestreken spijkerbroek, zijn bloes is in de vouw en zijn gitzwarte haren staan strak van de gel. Hij heeft bruine ogen en getinte wangen, misschien lijkt hij wel op zijn opa uit het Rifgebergte. Aan zijn voeten puike sportschoenen, ze lijken helemaal spiksplinternieuw. Hij rammelt met zijn collectebus en kijkt wat onwennig rond. Ondertussen droomt hij vast van Mowgli, die overleeft in de jungle. Die droom heeft hij deze zaterdagochtend wel nodig, hij wordt bijkans omvergelopen door de winkelende massa. Er zijn uitpuilende tassen en manden, vrolijke fietskarren, boodschappenwagentjes, rollators, aangelijnde stoere honden, druilerige kinderen, haastige moeders, keuvelende vriendinnen en ‘mobielende’ vaders. De echte jungle is er niets bij. ‘Alstublieft, een collecte. Alstublieft’. Hij beweegt schuchter zijn bus heen en weer, ik hoor een paar muntstukken onderin. Hier kunnen nog geen trapveldjes van worden aangelegd. Geen wipkippen van gerealiseerd, laat staan, de broodnodige ruimte om te spelen worden aangelegd.

‘Alstublieft, een collecte. Alstublieft’.
Hij kijkt me aan, ik smelt voor de kleine Marokkaan, die zo in Nederland zijn weg probeert te vinden. ‘Hai, waar collecteer je voor?’ ‘Yes!’ Zo blij dat er gedoneerd gaat worden. Triomfantelijk kijkt hij achterom naar zijn Baloe, die ter bescherming van de troep is meegekomen. Baloe ziet het en knikt goedmoedig. ‘Maar waar collecteer je voor?’ probeer ik nogmaals. Ik wil weten waar mijn euro naar toe gaat, ik ben en blijf een voorzichtige Hollander. ‘Voor Jantje Karton’. De euro gaat terug in mijn jaszak en pak een briefje uit mijn portemonnee en schuif ik in de collectebus. ‘Dank u’. Hij glundert onder zijn petje. Ineens is hij vol zelfvertrouwen en durft meer. Zijn stem wordt luider en zijn bede krachtiger. ‘Alstublieft, een collecte voor Jantje Karton. Alstublieft’. Ik hoor hem nog wanneer ik bij de groentekraam een pakje vijgen koop en kan een glimlach niet onderdrukken. Gelukkig verbetert niemand hem, ook Baloe is wel wijzer. In groep vier komt het vast goed. Vandaag is hij gewoon een welpje met een missie, centen verzamelen. Hij redt het wel, deze Jantje.