Collecteren in de Raambuurt

Auteur: Willie Lek

Het is een mistige herfstnamiddag in de Raambuurt. Niet te koud, ook niet meer zo warm. Geen druilregen, maar toch niet echt droog. Geen zon, wel een gloed achter de nattige wolken. De eerste bladeren hebben zich plechtig laten vallen, geen grote hoeveelheden. Maar toch. De laatste geraniums zijn nog in het ongewisse van het naderende najaar. Zij doen dapper een poging om hun laatste bloemen rood te kleuren. De eerste kalebassen verschijnen naast voordeuren: de herfst is in aantocht! Kleine steegjes blijven vochtig, nu de hoge zomerzon zich niet meer laat zien. De Kaneelsteeg wordt mossig, het plaveisel in Drapiersteeg kleurt ook groen, schimmels gedijen tussen de kieren en spleten. Het is nazomer, tijd van verzamelen. Tijd van inmaken, inleggen, inzouten, voorraden aanleggen. Misschien daarom ook wel de geschiktste tijd van het jaar om geld te verzamelen. Ik collecteer voor het Kankerfonds.

Het loopt al tegen vijven wanneer ik enthousiast en gewapend met bus, mijn voordeur achter me dicht trek. Opdracht is, in zes straten en stegen van onze Raambuurt geld vergaren. Ik begin in de Keizerstraat, natuurlijk. Het valt mij op dat er veel, heel veel deuren zijn. Ongeveer de helft heeft een bel. De andere deuren zijn een soort “loos alarm”. Of zij herbergen achter zich een garage, waar vroeger de ambachtslieden hun beroep uitoefenden, of zij herbergen helemaal niets achter zich. Dan werden twee huisjes, te klein voor onze huidige maatstaven, omgetoverd tot een pand. Loze deur als herinnering aan de krappe tijden van weleer. Goed. Wanneer de bel klinkt en de bewoner -soms- wel drie sleutels heeft omgedraaid, meld ik me. “Ik kom voor het Kankerfonds”. Er wordt een broekzak leeggeschud, een spaarpot (ja heus) omgekeerd, een portemonnee geopend, een acceptgiro geschreven, een handtas omgekeerd, een overleg gepleegd over de hoogte van het te deponeren bedrag. Er worden parkeermuntjes geofferd, beloftes gedaan, zonder blikken of blozen briefjes van 50 dubbelgevouwen, tranen weggeveegd, zelfs oude guldens kletteren broederlijk naast de euromunten. Zonder kloppen of bellen stap ik binnen bij de twee kneipjes die onze straat rijk is. Als een soort Leger des Heils soldaat doe ik in het duister, eigen aan de tijd van ‘happy hour’ in de horeca, mijn praatje. Grif gaan portefeuilles en kassaladen open. ‘Of ik een biertje mee drink?’ Vandaag even niet, ik heb nog enkele stegen te gaan. In onze Raambuurtse smeltkroes is soms de taal een barrière, en moet ik het van mijn glimlach hebben; ofschoon het woord ‘kanker’ jammer genoeg wijd verbreid en ingeburgerd is. Ik bel niet tevergeefs aan bij onze Marokkaanse, Turkse, Somalische, Afghaanse en Engelse buurtgenoten. Slechts een keer belde ik voor niets. Tussen twee kuchen door: “Ik heb net mijn laatste cent uitgegeven aan een pakje sigaretten”. Samen zagen we er de wrange humor er wel van in. Net voor donker wandel ik trots met een zware bus vol goedgemeende munten terug naar mijn woning, zeker weten dat ik volgend jaar weer aan alle bellen trek, met alle brievenbussen klepper of elke dingdongbel indruk. Collecteren in de Raambuurt is een waar genoegen!